Goeiedag, ik ben Jan-Willem. Als ik mijn ogen sluit in het Omnisport, hoor ik niet de moderne beats die ze nu draaien, maar de dweilorkesten van vroeger. Ik ben een man van de historie, en de zesdaagsen, dat is de ziel van het baanwielrennen. Vroeger, in de oude hallen, was de lucht blauw van de sigarettenrook en rook het naar braadworst en massageolie. Mensen kwamen niet alleen voor de sport, maar voor het spektakel. Zes dagen lang, dag en nacht, werd er gestreden door koppels in kleurrijke shirts. De grote namen uit die tijd, zoals Peter Post en René Pijnen, dat waren de helden van mijn jeugd. In Apeldoorn proberen we die sfeer levend te houden, ook al is het nu allemaal een stuk professioneler en gezonder. De romantiek van de koppelkoers, waarbij renners elkaar een “slinger” geven om vaart te maken, dat blijft het mooiste wat er is.
De zesdaagse was een uitputtingsslag. Renners moesten tactisch rijden, punten sprokkelen in de sprints en proberen ronden voorsprong te pakken tijdens de jachten. Nuchter bekeken was het een bizarre sport: renners die sliepen in kleine cabines onder de baan terwijl hun ploegmaat boven hun hoofd met 50 per uur voorbij denderde. Het publiek zat tot diep in de nacht op de tribunes, vaak met een biertje in de hand. Het was volksvermaak van de hoogste plank. In Apeldoorn zien we nu dat de sport is geëvolueerd naar kortere, intensievere evenementen, maar de basisprincipes van de zesdaagse – de samenwerking in een koppel en de interactie met het publiek – die zijn nog steeds hetzelfde.
- De Koppelkoers (Madison): De discipline waar de zesdaagse om draait. Twee renners, één in de koers, één die uitrust.
- De Slinger: De technische handgreep waarbij de ene renner de andere met de hand de wedstrijd in slingert.
- Het Klassement: Het draait om de ronden voorsprong, pas daarna tellen de punten.
- De Ambiance: Het licht, de muziek en de spanning maken het uniek.
*** “Baanwielrennen zonder historie is als een fiets zonder ketting; je kunt trappen wat je wilt, maar je komt nergens.” ***
Ik verzamel oude foto’s en verhalen van de wielerbaan. Het herinnert ons eraan waar we vandaan komen. In de catacomben van Apeldoorn vertel ik de jonge renners vaak over de legendes van weleer. Ze luisteren met grote ogen als ik vertel over de tijden dat er nog geen carbon was en de tubes nog met de hand werden genaaid. De sport is veranderd, de materialen zijn sneller, maar de passie in de ogen van de renners is nog precies hetzelfde als vijftig jaar geleden. Het doorzettingsvermogen dat nodig is om in die steile bochten te vechten voor elke meter, dat is tijdloos. We moeten de verhalen blijven vertellen, zodat de nieuwe generatie weet op wiens schouders ze staan terwijl ze hun records breken.
Reacties zijn gesloten.